Buikpijn

Het zit er eigenlijk al vanaf het begin dat we thuiszitten. Soms wat meer op de voorgrond, de andere keer meer sluimerend. De buikpijn die ik voel bij het idee dat Zora misschien niet naar school zal gaan dit jaar.
Mijn meisje, dat al vanaf haar derde elke week een paar keer roept: ‘Als ik vier jaar ben dan ga ik naar school! Ja, toch mama? Mama?’
 
Mijn meisje dat de crèche begint te ontgroeien. Dat al zo lang, zo snel en zo hard op haar fiets door de straten sjeest op zoek naar nieuwe uitdagingen. Dat het liefst achter haar grote broer van tien en zijn vrienden aanrent als ze naar de speeltuin gaan. ‘Wacht op mij!’
Hoe moet ik haar uitleggen dat ze dit jaar misschien helemaal niet naar school zal gaan? Ik krijg het wekenlang niet over mijn lippen.

Zora’s vierde verjaardag komt steeds dichterbij. Inmiddels is duidelijk geworden dat de kinderen weer naar school mogen. Maar zal er in al die onrust en onwennigheid ook ruimte zijn voor nieuwe leerlingen, zoals Zora?

Ik zit in de auto met Quin als de juf belt om te vertellen dat Zora volgende week mag komen wennen.

Mijn kleine grote meisje.
Dat stoer haar handen in haar zij zet als ze het ergens niet mee eens is. Hetzelfde meisje dat tranen met tuiten huilt als iets niet lukt zoals ze wilt. Dat roept: ‘Nog één kusje, mama!’ als ik even de kamer verlaat om naar het toilet gaat. Dezelfde grote dame die op haar step rondjes door de buurt vliegt, omdat de tuin haar veel te klein is.
Mijn kleine grote meisje dat ik volgende week voor het eerst naar school zal brengen. Haar handje in de mijne, haar rugzakje gevuld met een roze/witte liga en een roze fles voor het water. Mijn dochter van vier die ik af zal moet zetten bij het hek. Mijn dochter die ik alleen naar binnen moet laten lopen, zwaaiend en bemoedigend kan toeknikken van een afstand.
Ik krijg het beeld maar niet uit mijn hoofd. Haar hoofdje gebogen. Starend naar de grond. Op zoek naar houvast, herkenning, een gevoel van geborgenheid, dat ik haar vanaf die verdomde plek achter het hek niet kan bieden.  

Als ik ophang, draai ik me naar Quin toe en verbijt ik mijn tranen. Ik weet even niet wat ik moet zeggen, Quin vindt al dat ik zoveel huil de laatste tijd. Hij is ook even stil en kijkt naar zijn handen. Dan verschijnt er ineens een grote lach op zijn gezicht en roept hij alsof hij mijn gedachten kan lezen: ‘Maar mama, ík kan Zora toch naar haar klas brengen? Dan is ze niet alleen.’
Mijn lieve grote jongen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *